Hoe en waarom sturen kleine organisaties geneesmiddelen naar Oost-Europa?

Kort verslag van een onafhankelijk kwalitatief onderzoek naar de praktijken en beweegredenen van kleine hulpverleningsorganisaties die geneesmiddelend doneren.

Een publicatie van de Werkgroep Geneesmiddelendonaties, juni 1998.Klik hier om te bestellen.

Inhoud online:

  Antwoorden op vragen

Honderden kleine organisaties in Nederland helpen hun medemens in het buitenland. Vaak zijn het kleine groepen particulieren en toegewijde vrijwilligers die zich verenigd hebben in een stichting. Een deel van hen levert medicijnen aan noodlijdende gebieden in Oost-Europa.

Over deze organisaties gaat dit verslag. Want aan het uitvoeren van geneesmiddelen zijn risico's verbonden en er is wetgeving op van toepassing. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeftrichtlijnen voor geneesmiddelendonatiesopgesteld en deWerkgroep Geneesmiddelendonaties(gecoördineerd doorStichting Wemos)voert een voorlichtingscampagne over het onderwerp.

Er is weinig bekend over het aantal en de aard van kleine organisaties in Nederland die humanitaire hulp verlenen en medicijnen versturen die in Nederland ongebruikt zijn teruggebracht naar de apotheek (retourmedicijnen).Een kwart van de apothekers geeft geneesmiddelen aan hulporganisaties, hoewel hun aantal in de afgelopen jaren is verminderd (drie jaar geleden was dit nog ongeveer zestig procent).

Wat beweegt Nederlanders ertoe op deze wijze hulp te bieden? Werken ze samen, wat doen ze precies en weten ze ook wat ze doen? Hoe denken ze over hun toekomst? Wat betekent het feit dat minder apothekers en artsen willen meewerken aan het sturen van retourmedicijnen naar het buitenland?

De Werkgroep Geneesmiddelendonaties vroeg onafhankelijk onderzoekster Monica Smits te zoeken naar antwoorden. Smits dook in de literatuur, sprak met veel woordvoerders van de organisaties en bestudeerde hun eigen schriftelijke materiaal. Ze maakte kennis met een enthousiaste en vooral betrokken groep mensen die zich soms al jarenlang geheel belangeloos inzetten.

Dit boekje bevat een weergave van haar onderzoek in grote lijnen.

 
 Antwoorden en aanbevelingen

Wat zou je kunnen concluderen uit het relaas van de hulpverleners? Zijn ze deskundig, heeft hun hulp genoeg kwaliteit en hoe zal het hen vergaan in de toekomst? Monica Smits zet de resultaten van haar onderzoek op een rij en doet enkele aanbevelingen.

De hulporganisaties hebben een groot contactennetwerk voor het uitwisselen van diensten en informatie. Daar waar de hulpverleners geen kennis van zaken hebben, vragen ze andere instellingen. De kracht van de kleine organisaties ligt vooral in de actuele en gedetailleerde informatie over het betreffende land of gebied en de vele persoonlijke contacten die de mensen hebben.

De organisaties worden geleid door mensen die doorgaans meer van daden houden dan van overleg. Hulporganisaties kunnen geneigd zijn bij nood direct te reageren met een hulpactie. Dit kan vragen oproepen over hun ervaring en professionaliteit als ze zich op een nieuw terrein begeven. Misschien zou een kleine stichting in sommige gevallen beter kunnen kiezen voor een signalerende rol, waarin ze de aandacht vestigt op het probleem en de uitvoering overlaat aan een ervaren organisatie.

Uit de gesprekken blijkt dat lang niet alle hulpverleners zelf farmaceutisch of medisch geschoold zijn. De meeste zijn ervaringsdeskundigen. Wel beschikken alle hulpverleners over bevriende farmaceutische of medisch onderlegde adviseurs. Ook daar waar wel farmaceutische kennis is, worden de risico's van geneesmiddelen verschillend ingeschat.

Hoever mag een hulpverlener gaan? Sommigen stappen in de rol van de zorgverlener of gezondheidswerker in het betreffende land. Dat is begrijpelijk als je toezicht wilt houden, maar getuigt misschien niet van respect voor de autonomie en professionaliteit van de ontvangende partij.

De vraag waar de verantwoordelijkheid van de hulpverlener ophoudt kan per land verschillen en hangt volgens een van de ondervraagden af van het stadium van ontwikkeling waarin het land verkeert. De behoefte van hulpverleners om zich als gever goed te voelen hoeft niet bij voorbaat problemen in de verstandhouding op te leveren. Het wordt wel een probleem als er geen gelijkwaardige relatie is: als afhankelijkheid wordt gecreëerd, of wanneer dankbaarheid wordt afgedwongen en de ontvangers zich niet meer vrij voelen om zelf over het gebruik van de hulp te beschikken.

Respect voor de autonomie van de ontvangers en oog voor wederkerigheid en gelijkwaardigheid stimuleren dat mensen aan de ontvangende zijde de eigen verantwoordelijkheid voor hun ontwikkeling ter hand nemen.

 
  Kwaliteit

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft richtlijnen opgesteld voor geneesmiddelendonaties. Ten aanzien van de selectie van de geneesmiddelen volgen niet alle hulpverleners de richtlijnen. Hetzelfde geldt voor het advies alleen te leveren wat er nodig is en etiketten en bijsluiters te vertalen. De richtlijn over kwaliteit en bewaartermijn (geneesmiddelen moeten minstens een jaar houdbaar zijn) is het beste bekend en wordt meestal goed nageleefd. De richtlijnen over retourmedicatie en het alleen afnemen van erkende leveranciers roepen meer bezwaren op.

Presentatie, verpakking en etikettering gebeurt in het algemeen volgens de regels.

Er lijkt een verschuiving gaande van noodhulp naar activiteiten met een specialistischer en projectmatiger karakter. De stichtingen lijken zich steeds meer te richten op projecten voor kwetsbare groepen.

Het is de vraag hoelang geneesmiddelendonaties nog zullen duren. Het is nauwelijks meer mogelijk een gezondheidsinstelling in het buitenland op structurele wijze te voorzien van medicamenten. Bovendien wordt fondsenwerving moeilijker.

 
  De toekomst

De tekorten aan geneesmiddelen kunnen niet los worden gezien van problemen in het overheidsbeleid op verschillende niveaus. De structurele tekorten kunnen ook niet worden opgelost, zelfs al zouden alle buitenlandse hulpverleners hun krachten bundelen. Voor structurele en duurzame hulp zijn andere maatregelen nodig.

Het bevorderen van het eigen initiatief en verantwoordelijkheidsbesef bij de ontvangers zou centraler moeten staan in alle situaties waar hulp wordt geboden. De opbouw van nieuwe institutionele vormen in de Oost-Europese landen speelt daarin een cruciale rol.

In een bezinning op de toekomstige rol van de Nederlandse vrijwillige organisaties zou er vooral aandacht moeten zijn voor kennisoverdracht en organisatorische en managementvraagstukken in de gezondheidszorg. Er zijn al enkele kleine initiatieven in de bevordering van deskundigheid en organisatie-advieswerk.

Belangrijke vragen zijn: hoe kunnen effectieve bijdragen worden geleverd, gelet op de beperkte middelen en mogelijkheden van hulpverleners? Hoe kunnen hulpverleners en donateurs verzekerd zijn van een goede bestemming van hun donaties terwijl de eigen verantwoordelijkheid en autonomie van de Oost-Europeanen zelf wordt aangemoedigd en ondersteund?

 
  De rol van hulporganisaties

Hulporganisaties zouden op deze manier moeten meewerken aan het realiseren van een toekomst waarin Oost-Europese stichtingen kunnen ontstaan en uitgroeien tot een eigen belangenbehartiger en pleitbezorger in een nieuw maatschappelijk middenveld.

De rol van buitenlandse hulporganisaties kan daarin maar heel beperkt zijn, zeker van de kleinschalige stichtingen. Deze organisaties weten echter als geen ander hoe het met de gewone mensen in deze landen gaat. In dit opzicht kunnen zij een belangrijke signaleringsfunctie hebben. Zij zouden hun invloed en achterban kunnen gebruiken om druk uit te oefenen op de beleidsmakers en de grotere gevestigde organisaties in eigen land. Daarmee kunnen ze de aandacht vestigen op 'vergeten' kwesties: de betaalbaarheid van de gezondheidszorg en de institutionele problemen waarvan het chronische geneesmiddelentekort slechts een van de symptomen is.

Van hun kant zouden de gevestigde 'professionele' organisaties in Nederland die zich richten op de gezondheidszorg in Oost-Europa in het kader van ontwikkelingssamenwerking, baat kunnen hebben bij een regelmatige aanvoer van informatie over de gevolgen die het nationale en internationale beleid hebben op de gezondheidszorg en de geneesmiddelenvoorziening zoals de gewone burgers die beleven.

Misschien kunnen de kleine hulporganisaties en hun plaatselijke partners een rol spelen in het volgen van de geneesmiddelensituatie ter plekke. Bovendien zou een grotere betrokkenheid en signaleringsfunctie van de kleine hulporganisaties kunnen leiden tot bredere steun voor een streven naar een economisch en sociaal stelsel in Oost-Europa waarin kwaliteit in de gezondheidszorg voor allen wordt gewaarborgd.

Copyright Stichting Wemos ,juni 1998

 
Inhoudsopgave volledige publicatie

Deze publicatie gratis bestellen?